skip to Main Content
De herrijzenis van de dandy: Over de rol van de kunsten in een tijd van crisis
EVY VAN EYNDE

Ingezonden: 6-1-21

We wandelen over een brede laan met aan weerszijden een colonne van dicht naast elkaar geplante  loofbomen. “Te dicht”, zeg ik. “Te dicht om ze allemaal tot volle wasdom, nee… tot hun volle potentieel te laten uitgroeien. Het is hun lot om tegen elkaar aan te schuren, elkaar weg te drummen voor een spatje licht, voor een greintje aarde, voor een likje regen.” Gemondmaskerde bubbels komen ons in vlagen tegemoet. Ik beantwoord hun holle, angstige dan weer kijk-mij-eens-hoe-flink blikken met een resolute afwijzing van contact. “Maskers horen thuis in het theater”, snauw ik. Mijn lief stompt me in mijn zij. Ik haal mijn schouders op, het kan me al lang niet meer schelen dat ik niet denk wat ik hoor te denken. Dat ik niet spreek, schrijf of creëer binnen het nieuwe normatieve narratief. Sinds het begin van de coronacrisis zie ik tot mijn grote ontsteltenis hoe een groot deel van de kunstensector zich ontpopte tot een toonbeeld van veerkracht, positiviteit en – oh wee! – solidariteit. We steken met zijn allen artistieke riemen onder het hart. We wringen ons in nooit geziene bochten en gooien onze kunst als voorgekauwde troost, als braaf amusement, als instemmend vermaak virtueel te grabbel. We maken onszelf wijs dat tegen schenen schoppen, twijfelen, reflecteren en vasthouden aan idealen niet van toepassing is in tijden van oorlog. We trekken ons mooiste pakje aan, we onttrekken onze genagellakte tenen uit de klei van de maatschappij, we verkondigen luidkeels de dood van de sociaal geëngageerde kunst en bevestigen zo de zelfvervullende voorspelling dat we niet-essentieel zijn. Applaus.

“Misschien worden er binnenkort wel toekomstbomen aangeduid” zegt mijn lief. “Die kunnen dan volop licht, aarde en regen consumeren en majestueus groot worden!” Ik knik maar ik ben niet meteen laaiend enthousiast. Ik ben een vat vol vragen: “Wat gebeurt er met de kleinere exemplaren? Worden die gewoon bij het groot vuil gezet? Of worden ze elders opnieuw geplant? Kan je een adolescent überhaupt zomaar verplanten? En is er eigenlijk wel een elders? Is er plaats voor iedereen? Zijn we niet gewoon met te veel? Moeten we de ruimte koloniseren? Mag je het woord kolonisatie nog wel uitspreken als onderdeel van de menselijke droom?” Ik bevind me in een donkere ruimte op een ingebeeld podium, de arena, de exclusieve retoriek van de kunst, omringd door een publiek van oplichtende ogen zonder gezicht. De tegenstander lijkt ongrijpbaar: Een zelfverklaarde nietsnut van een dandy die geruisloos meedeint in een klimaat waarin de uitgesproken, ongegeneerde intolerantie van andersdenkenden gecultiveerd wordt, waarin wantrouwig gekeken wordt naar kwetsbare groepen, waarin zondebokken aangewezen worden zonder enig tastbaar bewijs.

We strijden met ongelijke wapens. Ik krijg een knoert van een kreet ‘Stay safe!’ op mijn neus en ik wankel. Ik roep: “De ware onttakeling van de taal ligt in de leuze!” En ik dreun eindeloos l’Homme Révolté van Camus op en in mijn tegenstanders amygdalae (ter regulatie van angst)…. De saletjonker schudt de literaire druppels van zich af, vermijdt dat ze gedestilleerd impact achterlaten en besmeurt me met nietszeggende woorden van troost en schoonheid. De menigte joelt gedempt achter zijn muilkorf. Ik neem mijn pen en ik graaf. Ik graaf in de diepte tot er vragen uit oprijzen: Hoeveel mag dit beleid aan menselijkheid, aan morele principes en aan vrijheid kosten? Mag solidariteit selectief zijn? Mag ik zelf beslissen welke maatschappelijke prioriteiten ik het hoogst in het vaandel draag? Wat is volksgezondheid? Is er een hiërarchie van lijden? De pronker hoest en proest van zoveel ongemakkelijke vragen, tuitelt en valt neer op de grond. Het publiek is in ademnood. Applaus.

“Je ziet het te negatief, schatje. Te traditioneel. Misschien moet je wat minder waarde hechten aan de materialiteit van de dingen?” Ik stop abrupt met wandelen. De maskerparade stokt, botst bijna tegen mijn potentieel besmettelijke lijf aan, zucht, wenst me meer meegaandheid toe en herneemt dan resoluut de gezamenlijke koers. We zijn een rotsformatie in de stroom. Golven van lotsverbondenheid klotsen tegen onze huid. Deinende klanken breken de ruggen van woorden en wachten betekenisloos op een nieuwe taal. “Wat bedoel je?” vraag ik geïrriteerd. Ik heb geen boodschap aan de neoplatonische, christelijke overtuiging dat het idee de materiële werkelijkheid overstijgt in waarde of betekenis. Ik heb geen boodschap aan op zichzelf staande virtualiteit. “Wij zijn ons lijf! Ons denken, ons samenzijn, ons geluk én onze onweerstaanbare neiging om te scheppen is onlosmakelijk verbonden met onze lijfelijkheid. Wij planten leven in en persen leven uit ons lijf. Wij lijden. Wij sterven. Wij boetseren, schilderen, schrijven, zingen, tekenen, dansen het onzichtbare zichtbaar. Wij zijn kunstenaars. Wij gedijen in materie.”

Applaus. Mijn belager swipet mijn vragen van zijn vel, staat recht en lacht. Het is een hologram. Dat zie ik nu pas. De realiteit past zich maar mondjesmaat aan aan de mallen van ons denken. Ik vraag me af of mijn wapens hem überhaupt deren. Hoe betekenisvol, hoe krachtig kan ons concept van kunst als materiële drager van al dan niet controversiële ideeën, overtuigingen en maatschappelijke kritiek zijn in een wereld die zich steeds virtueler manifesteert? De fysieke afstandsmaatregelen die deze crisis ons oplegt zijn effectief sociaal van aard. Ze zorgden immers voor een significante en wellicht blijvende opschaling van een steeds rigidere digitale ervaring van samenzijn en communicatie. Het fenomeen van cancel culture ligt voortdurend op de loer in deze virtuele manier van samenleven. Elk idee, elke overtuiging, elke uiting van protest of kritiek, elke visie die niet strookt met de onze kan in een kwestie van een click verwijderd worden uit onze invloedssfeer. We omringen ons met gelijkgestemden en maken onszelf wijs dat dit dé realiteit is. Welke functie kan ongemakkelijke, kritische kunst nog hebben in deze selectieve vorm van werkelijkheid? Zullen kunstenaars enkel voor eigen parochie kunnen preken? Of zal de dandy dan toch zegevieren?

REACTIES
REAGEER OP DIT STUK
Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *